Haagbeuken
De haagbeuk, oftwel de Carpinus Betulus, is een boom die doorgaans 15 tot 25 meter hoog wordt. Hij wordt ook wel genoemd de steenbeuk, beukenhaag, wielboom of jukbeuk. Hij behoort tot de de berkenfamilie (de Betulaceae). Hij staat graag op vochtige, voedselrijke en kalkrijke bodems. Haagbeuken worden vaak aangeplant als laanboom of als haag. Een groot voordeel daarbij is namelijk de goede verdraagzaamheid van snoei. De naam haagbeuk duidt dus al op het gebruik voor heg- en haagbeplanting. Door regelmatige snoei, ontwikkelt zich geen kroon en kan er geen dikke stam ontstaan. In tegenstelling tot de beuk, verliest de haagbeuk in de herfst zijn bladeren.
Als sinds 10 miljoen jaar, (dus sinds het Plioceen tijdperk), was de haagbeuk in Europa een inheemse soort. De Haagbeuk is autochtoon in ons land en komt in het wild voor in West-Europa, Midden-Europa en Zuid-Europa. Daarnaast komt hij ook voor ins West-Azië. In Nederland zie je hem met name veel in Limburg en in delen van Gelderland.
De bladrand is dubbelgezaagd, met een puntige bladtop, ook wel Apiculatus genoemd. Het blad zelf is ovaal vormig, met een ronde onderkant, of Circulus. De nervatuur is veer- of vinnervig (ofwel Penninervus)
Deze boomsoort is eenhuizig, wat zoveel wil zeggen als dat de mannelijke en de vrouwelijke bloemen op één plant voorkomen. De haagbeuk bloeit in de maanden april en mei. De wind verzorgt de verspreiding van zijn stuifmeel.
| Verzorging |